Memoir

De la Rin la Dunăre și înapoi. Autobiografia mea românească

Jan Willem Bos

  • Iulian Bocai
  • 4 maart 2025

Pas Uit presenteert een nieuw format. Literair vertaler, schrijver, en woordenboekmaker Jan Willem Bos, winnaar van de prestigieuze Martinus Nijhoffprijs, publiceerde in 2022 zijn autobiografie De la Rin la Dunăre și înapoi. Autobiografia mea românească (Van de Rijn naar de Donau en terug. Mijn Roemeense autobiografie) bij uitgeverij Editura Humanitas. Hij schreef het boek direct in het Roemeens. Deze autobiografie werd in Roemenië met veel enthousiasme ontvangen, maar in Nederland is het bestaan ervan zo goed als onbekend.

Daarom heeft de redactie besloten een oorspronkelijk Roemeense recensie over zijn boek te vertalen en te publiceren, zodat de Nederlandse lezer het in de Roemeense context kan plaatsen en begrijpen. Het gaat om een dubbelrecensie over Bos’ autobiografie en de memoires van de Britse historicus Dennis Deletant, die Roemenië jarenlang bezocht. 

Iulian Bocai is schrijver, criticus, docent en vertaler. Zijn debuutroman Het vreemde en aangrijpende leven van Priță Barsacu komt dit jaar in de vertaling van Charlotte van Rooden uit bij Uitgeverij de Geus. 

Twee perspectieven op Roemenië, waarin het persoonlijke verleden en de ‘grotere’ geschiedenis overlappen. Een dubbelrecensie over In search of Romania en De la Rin la Dunăre și înapoi 

Door: Iulian Bocai 
Vertaald uit het Roemeens door Charlotte van Rooden 

In de memoires van Dennis Deletant zijn geschiedenis en biografie in een voortdurende strijd met elkaar verwikkeld, waardoor het boek uiteindelijk eerder lijkt op een geschiedenisboek, dat hier en daar wordt opgeleukt met anekdotes en persoonlijke gebeurtenissen, die ons er aan herinneren dat we een getuigenverslag lezen en geen monografie. Deletant heeft geen talent voor de persoonlijke getuigenis en ook niet de ongedwongen literaire stem die zijn persoonlijke ervaringen spontaan en authentiek tot leven kan wekken. Hij is duidelijk opgeleid tot historicus. Sterker nog, hij behoort tot het slag historici die niet vaak een beroep doen op de scheppingskracht van een persoonlijk vertoog. Het eerste wat opvalt bij lezing van dit zogenaamde ‘persoonlijke avontuur’ in In search of Romania, is dat alles wat er aan persoonlijke ervaring in zit, met de historische context moet strijden om ruimte – en verliest.  

In bepaalde gevallen kan het voorkomen dat de Geschiedenis niet zomaar een biografische koers begeleidt, maar die een dubbele laag geeft of zelfs volledig vervangt, zodat biografie en geschiedenis elkaar overlappen, en je kunt betogen dat er iets dergelijks heeft plaatsgevonden in het geval van het Roemeense communisme, de Revolutie, en de tergende en chaotische transitie richting het kapitalisme. Waarschijnlijk winnen de persoonlijke verhalen juist aan belang voor de naoorlogse Roemeense geschiedenis omdat ze een dergelijke verdieping vormen van de radicale sociale veranderingen, en niet zozeer dankzij de individuele biografische vertelling. Als je het boek met dat idee in je achterhoofd leest, krijgt In search of Romania meer betekenis, hoewel ik er meer antropologische schakeringen en introspectie in had verwacht, zoals je meestal verlangt in memoires, zelfs in herinneringen die zijn gevormd in het heetst van een tijdperk waarin het leven onderhevig was aan de tand des tijds. Wanneer je schrijft over het Roemeense communisme, leg je in je verhaal vermoedelijk instinctief de nadruk op de manier waarop het persoonlijke zich naar het statelijke moest voegen en op de verdraaiingen van de levensloop die daaruit voortvloeiden. Dat geldt ook voor dit boek, wanneer we bijvoorbeeld lezen dat elke Roemeense staatsburger die met een buitenlander wilde trouwen officieel toestemming moest krijgen van de voorzitter van de Staatsraad (Ceaușescu), een detail dat je raakt alsof het rechtstreeks uit een onrechtvaardige prehistorie van persoonlijke vrijheid is gerukt. Tegelijkertijd is dat verhaal inmiddels een vast motief geworden, en kennen we het al, en doet het boek niet veel om het uit dat vaste motief te trekken. 

Aan de andere kant ontbreekt het in het boek niet aan interessante persoonlijke observaties en vooral details en anekdotes. Een paar daarvan gaan over de tegenstrijdige werelden die onder het regime gelijktijdig konden bestaan: bij een bezoek aan het klooster Suceviță hing het portret van Ceaușescu in de ontvangsthal van de moeder-overste aan dezelfde muur als het icoon van de Moeder Gods, maar wel een stukje lager. Andere anekdotes gaan over de wereld van de internationale diplomatie, waar de auteur – als een van de weinige Westerse experts op het gebied van de Roemeense geschiedenis – al zijn hele leven mee koketteert. Bij het bezoek van Ceaușescu aan Groot-Brittannië belde de Franse president Valéry Giscard d’Estaing koningin Elisabeth op om haar te waarschuwen dat toen het echtpaar Ceaușescu werd ontvangen op het Paleis Élyssée, hun persoonlijke bewakers het historische behang aan flarden hadden gereten om eventuele microfoons te verwijderen. Het Roemeense Instituut van Recente Geschiedenis (IRIR), dat later zou worden opgenomen in het instituut dat zich bezighoudt met de misdaden van het communisme (ICCMER), kreeg donaties voor apparatuur en boekenkasten van niemand minder dan J. K. Rowling. En er is er nog zo’n anekdote die direct uit een roman over Oost-Europa lijkt te zijn gegrepen: Deletant heeft de Grondwet van Moldavië voor de internationale bekendmaking in het Engels vertaald, in een kantoorruimte van het Moldavische parlement waar twee ambtenaren computerspelletjes zaten te spelen en waar de secretaresse met correctievloeistof de officiële kopieën verbeterde die – met correcties en al – voor de Duitse bondskanselier bestemd waren. En er zijn meer van dit soort details, die de geschiedenis van deze hoek van de wereld vooral doet lijken op een geïmproviseerd accordeondeuntje op een katerige ochtend na het stampen van de druiven in de druivenpers. 

Aan het eind worden de herinneringen episodisch en onsamenhangender, een oppervlakkige opsomming of een handboek voor bezoekers die versteld staan van het land, of voor lezers die na 1989 zijn geboren – taferelen uit de transitie, een paar persoonlijke gebeurtenissen, bondige, grotendeels politieke of samenvattende kanttekeningen bij het Roemenië van na de revolutie. Het zijn niet zozeer herinneringen als wel een soort periodieke notities uit een marginaal land – dat laatste evenwel niet in negatieve zin, want het is duidelijk dat Deletant niet zomaar een vluchtige nieuwsgierigheid koestert voor zijn onderwerp, maar een werkelijke passie en blijvende interesse. Tegelijkertijd is passie niet echt zijn stijl en geeft hij geheel ondubbelzinnig toe dat Roemenië een moeilijk land is met een gebrek aan professionalisme, waar ‘incompetentie in het publiek domein’ overheerst en elk initiatief tot verandering van over de grens moet komen. Als we in beschouwing nemen dat ook het grootste deel van de Roemeense intelligentsia in haar kritische zelfkastijding op die manier over het land denkt, lijkt Deletant hetzelfde land te hebben ontdekt dat de rest van de wereld in Roemenië ziet. 

2. 

Van een geheel andere aard zijn de memoires, dit keer ook werkelijk herinneringen, van de vertaler Jan Willem Bos, in zijn boek De la Rin la Dunăre și înapoi. Hierin sijpelt de geschiedenis door in het leven, waardoor die beter te behappen is, hoewel ook Bos zich geen illusies maakt over wat voor soort land hij in zijn jeugd heeft ontdekt. Hij beschrijft de kamers in de studentenflat Grozăvești, waar de plees dropen van de uitwerpselen, de corrupte artsen bij wie je goedwilligheid kon kopen in ruil voor een fles westerse shampoo (tot op de dag van vandaag zijn artsen de corruptste Roemeense beroepsgroep, we mogen ze wel prijzen om hun zowat eeuwenoude consequentie), de slecht gebouwde woonblokken en het onzekere economische bestaan in “Ceauschwitz”. De auteur koestert geen illusies over de plaats waar hij is gaan wonen, en dat vertelt hij ook, meteen aan het begin.  

Ondanks haar verkondigde revolutionaire elan was het communistische Roemenië vanuit westers perspectief een diep conservatief land, zo niet volstrekt reactionair. De hoeksteen van de communistische samenleving was het traditionele gezin, zoals de priester dat graag zag, mits het gezin in kwestie ook daadwerkelijk naar de kerk ging. De jaren zestig met zijn hippies, flower power, nieuwe muziek, de studentenprotesten van Parijs in 1968, de opstand tegen de starheid van de kapitalistische samenlevingen, al die jaren die een bepalende invloed hebben uitgeoefend op de collectieve westerse mentaliteit, betekenden niet veel in Roemenië. Het was een maatschappij met een strikte hiërarchie, halsstarrig tegen elke verandering en gealarmeerd door elke pretentie van vrijheid.

Ik laat het aan de lezer om te beoordelen hoeveel van de genoemde elementen nog altijd doorsluimeren en merk slechts op dat Bos – net als Roemenen die zijn blijven geloven in hun maatschappij – ondanks al deze dingen van het land houdt, en dat hij het voor de Balkan typische talent voor optimisme heeft, het soort waarmee je nog tussen de ruïnes brandende lichtpuntjes kunt vinden. Hij verklaart zijn liefde voor de cultuur en het land meermaals in het boek, maar doet dat niet op dwepende of sentimentele toon. Hij ziet de dingen zoals ze zijn en – omdat hij hier in zijn formatieve jaren heeft gewoond, omdat hij hier vriendschappen voor het leven heeft gesloten en hier zijn vrouw heeft ontmoet (die, overigens, ondanks haar Roemeense afkomst, als Amerikaanse student in Boekarest verbleef) – kan hij terecht beweren dat zijn gevoelsleven niet slechts toevallig zo diep verankerd is in de Roemeense werkelijkheid. Als zodanig spreekt hij tot op zekere hoogte over het land alsof het ook hem toebehoort, hoewel niet volledig, en dankzij die dubbele identiteit, zijn heen-en-weer tussen twee realiteiten die lange tijd tegenstrijdig waren, lukt het hem in twee stemmen te spreken, van buiten over het binnenste van het land.

Jan Willem Bos kwam halverwege de jaren zeventig in Roemenië aan, toen de wending richting een strenger economisch beleid en de ideologische onderdrukking van het decennium daarop nog niet zo zichtbaar was. De hoofdstukken waarin hij vertelt over de ervaringen van de internationale studenten in de studentenflat zijn uitstekend, de beste van het boek: de handel met importproducten, de hechte vriendschappen, de agenten die de zwerfhonden op straat afschoten, de bureaucratie, de bemoeienis van de autoriteiten met het persoonlijke leven, de Roemenen die zo arm waren dat ze zelfs plastic tasjes wasten om te herbruiken – dat klinkt allemaal authentiek, maar wordt verteld met een stem waar meer nostalgie dan verontwaardiging in doorklinkt. De studiereis naar Amerika, waar hij een tijdje nieuwsgierige zielen het Roemeens bijbrengt, tweede of derde generatie immigranten, polyglotten, Amerikaanse sociologen die geïnteresseerd waren in Gherea (!) [Constantin Dobrogeanu-Gherea (1855-1920), Roemeense schrijver en socialist. (vert.)], is ook interessant – hij was al romanist en had een scriptie geschreven over het beeld van Boekarest in de Roemeense literatuur. Een vriend van hem werd benaderd door de geheime dienst, de Securitate, om informatie over hem te door te geven, en ik las met veel plezier dat hij soms samen met degene die hem had moeten verraden de verslagen opstelde. 

Vooral het eerste deel van het boek staat bol van verhalen en leest lekker weg. In het tweede deel wordt het soms wat onsamenhangender en worden de verhalen alledaagser, misschien ook omdat de geschiedenis in rustiger vaarwater kwam. Bos ziet zijn prestaties als vertaler en cultuurbemiddelaar erkend worden en zijn leven wordt dus ook minder avontuurlijk. In dit deel domineert bovendien af en toe een weldoordacht inzicht, wat het geheel iets te zeer gladstrijkt. Maar wat het hele boek door blijft verrassen, is hoe goed de auteur het Roemeens beheerst, en met welk zichtbaar plezier hij de taal spreekt en schrijft. Schijnbaar opzettelijk gebruikt Bos de authentiekste uitdrukkingen: ‘se fuma în draci’ (er werd gerookt – fig. ‘op z’n duivels’), ‘apt de balamuc’ (‘rijp voor het gekkenhuis’), ‘de-a moaca’ (gratis, letterlijk: ‘voor je smoel’), ‘mașini bengoase’ (‘bengos’ is een informeel ‘gaaf, puik, vet’). Zijn taalgebruik is stilistisch gezien niet per se het meest vloeiend, maar het is door en door Roemeens, waarin geen greintje van de voor niet-moedertaalsprekers typische twijfel in doorklinkt.

Jan Willem Bos, De la Rin la Dunăre și înapoi. Autobiografia mea românească
  • Roemeens
  • Humanitas (2022), 363 blz.